WINSCHOTEN E.O.
Afgelopen zaterdag was ik in Winschoten, met zus Jantje. Markt, makkelijk parkeren, gratis, dat wel en mensen op straat. Leuk toch, eens rondkijken in zo’n aardig provinciestadje? Een verademing zelfs voor zo’n verstokte randstedeling als ik. De eerste indruk is beslist die van de horror-confrontatie met een achtergebleven gebied, die van een welwillend bezoek aan een derdewereldlandje. Winkelstraten met winkels die ik gewend ben te zien gesloten. De mensen lijken verdomd veel op echte mensen. Zelfs huisdieren zijn aanwezig.
De reis naar Winschoten deden wel het allerergste vermoeden. Na de kolossaal lelijke architectuur van de stad Groningen gepasseerd te zijn, was de confrontatie met de oneindige zwarte vlaktes bijna pijnlijk. Vol is vol, maar hier niet. Verre horizonten, echte dieren, hier en daar een boerderij, kanalen, meren, riviertjes, gevuld met echt water. Dat waren zus en ik niet meer gewend, herinneringen van vroeger.
Een snelweg waar we gewoon 100 en soms 120 mochten en ook konden rijden, ook al zo wonderlijk. Rare plaatsnamen die we met groot gemak in werkwoorden konden omtoveren.
Afslag Winschoten en links van de weg Blauwestad, daar zouden we later ook eens gaan kijken.
Ik had mij dat helemaal niet gerealiseerd, maar de lunchkaart in de lunchroom was ook in de Duitse taal verkrijgbaar. Strammer Max en de rest. Duitsland was in feite om de hoek. Des te mooier, dat we de Groningers hier gewoon konden verstaan. Dat is in appendix Limburg wel anders.
Maar het is niet allemaal mooi daar in Oost Groningen. Er zijn weliswaar geen gesloten mijnen die tot in de eeuwigheid beschuldigd kunnen worden van het veroorzaken van de achterlijkheid die Limburg zo kenmerkt, maar van de strokartonindustrie, de graanschuur, is weinig meer over.
Leegstand in het centrum van een stad is dodelijk. Dat nodigt uit tot vandalisme, tot kwajongensgedrag dat tegenwoordig criminaliteit heet. Dat stimuleert de bestedingsbereidheid niet. Dat is slecht voor de middenstanders die proberen vol te houden.
Achterstallig onderhoud in het centrum van een stad is de voorbode van verpaupering. De synagoge in Winschoten doet bij gebrek aan Joden, geen dienst meer als zodanig en schijnt, bij wijze van straf, gedeeltelijk geel geschilderd te moeten zijn. Afschuwelijk, barbarisme, dat is het.
Als er al renovatiewerkzaamheden plaatsvinden, dan is daar niets van te merken, maar plannen voor een nieuw winkelcentrum zijn er natuurlijk wel. Daarin is Winschoten niet anders dan overal elders in dit land. Het begint er op te lijken, dat het aanzien van een stad of provincie groter wordt naarmate de leegstand stijgt.
De burgers is gevraagd mee te denken en ideeën in te dienen bij de gemeente Oldambt. Burgerplannen plaatsen in een speciaal daartoe geopende Marktpleinkerk svp. Nou, dat viel niet mee. Het College had echt niet van tevoren bedacht, dat dat vermaledijde Sint Lucas terrein weer tevoorschijn zou komen. De burgers willen geen nieuw winkelcentrum. De burgers willen geen onzin, Groningers houden niet van onzin. De burgers willen sociale woningbouw. En terecht! Het College reageert geïrriteerd en vindt de burgers “dom”. Sterker, het College maakt de burgers middels een persberichtje gewoon belachelijk. Immers inspraak stelt ook hier niks voor. Colleges wil is wet.
Ik zeg dat het College een beetje dom is. Stop met dat nieuwe winkelcentrum, vergeet bevriende aannemertjes een plezier te doen in ruil voor weet ik wat. Geen nieuw winkelcentrum, er zijn genoeg winkels. Knap je stad op, maak er weer een vriendelijke, uitnodigende stad van zoals het voorheen was. Ga voor sociale woningbouw. Goed voor het imago van Oost Groningen, goed voor de werkgelegenheid goed voor de jeugd en ouderen en je doet ook nog wat je die bewoners destijds hebt beloofd.
Ook zijn zus en ik door de verschillende omliggende dorpen gereden en zijn tot de conclusie gekomen dat deze evenals het centrum van Winschoten een meestal troosteloze aanblik bieden. Weinig of geen winkels laat staan sociale woningbouw welke ook daar zo nodig is.
Overigens zijn zus en ik van mening, dat de gastvrijheid en gemoedelijkheid van Winschoten voldoende is.
Mijn zus Jantje en ik.
