TOEKOMST

TOEKOMST

Wanneer ik naar buiten kijk heb ik een prachtig uitzicht op de toekomst. Tegenover mijn woning op ongeveer 50 meter afstand staat een enorm verpleegtehuis. De mensen die daar wonen, veelal oude mensen, zijn stuk voor stuk gehandicapt en één keer per dag worden ze uitgelaten, voorzien van allerlei hulpmiddelen, sommigen zelfs in een bed met grote wielen. Het is een surrealistische optocht. Ze worden begeleid door vrijwilligers en als het regent blijven ze binnen.

Sinds een jaar of twee is er recht tegenover mij een mevrouw komen wonen. Zij staat hele dagen voor het raam en zwaait naar mij, zij kan bij mij naar binnen kijken. Ik zwaai dan terug, maar niet te vaak, meestal negeer ik haar gezwaai. Ik zou er eenvoudig een dagtaak aan hebben telkens terug te zwaaien.

Soms schijnt zij mijn onaangenaam gedrag in de gaten te hebben, dan begint zij zomaar staande voor dat raam, in vol ornaat, te dansen. Ik ben te schaamtevol om terug te dansen, doe net of ik haar niet zie, maar ik zie haar wel natuurlijk.

Zij krijgt elke dag bezoek van een oudere heer van wie ik aanneem dat hij haar man is. Elke dag een paar uur, dan is die man bij die zwaaimevrouw.

Vanochtend weer dat ritueel. Zij zwaait en ik zwaai terug, ze weet weer van geen ophouden. Ik ben op zoek gegaan naar mijn stoute schoenen. Ik kom niet graag in zo’n tehuis, maar nu ben ik vastbesloten even bij haar langs te gaan. Om ongeveer tien uur, dan komt haar visite, dus ik wacht, loop naar de overkant, dat verpleegtehuis binnen. Meteen heb ik weer spijt. Het ruikt daar onaangenaam en ik struikel over personeel. Heel weinig echte verpleegkundigen en veel jonge meisjes die daar kennelijk in het kader van een opleiding tamelijk hard moeten werken. Ook veel vrijwilligers, die zijn in burger met een badge waar “Vrijwilliger” op staat.

Ik word naar mijn zwaaivriendin geleid. Ze ziet er verzorgd uit en helemaal niet zo oud als ik gedacht had. Die man die is van haar. Ze heet Maria en hij heet Gerrit. Maria is pas 66 en enkele jaren geleden getroffen door de ziekte Alzheimer. Gerrit vertelt, dat hij haar ruim tien jaar thuis heeft verzorgd, dat dat niet meer ging, dat het echt te zwaar werd en dat hij haar nu elke dag gezelschap komt houden, ook omdat het personeel daar geen tijd voor heeft. Maria herkent Gerrit al een tijd niet meer.

Ik vertel de reden van mijn bezoek. Gerrit vertaalt en Maria krijgt een glimlach. Ze zegt tegen Gerrit dat ik blijkbaar die meneer ben die telkens naar haar zwaait en dat zij dan maar terug zwaait om mij niet te kwetsen, maar of ik er eens mee op wil houden, ze wordt er doodmoe van.

Gerrit vertelt mij, dat hij voornamelijk komt uit schuldgevoel, want de verzorging lijkt heel goed, maar laat veel te wensen over. Extra rondje buiten kost geld, net als alle andere extra spullen. Zoals luiers, extra fruit en elke dag een toetje. Ik moest wel goed beseffen, dat de eigen bijdrage in deze instelling enorm hoog is en bijna niet op te brengen. Gerrit eet één keer in de week vlees en de auto heeft hij weg moeten doen. Hij mag wel mee-eten in het tehuis, maar dat kost vijftien Euro. Dat kan Gerrit niet trekken.

Maria zegt niets, begint uit het niets te dansen en valt dan uitgeput op haar bed. Ik neem afscheid, ben verontrust over die toekomst. Morgen maar weer zwaaien.

Drs. H.J.G. Wybert

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.